VUT.IN

VUT

De VUT (een acroniem voor Vervroegde Uittreding) is een regeling die werknemers de mogelijkheid biedt om voor de oorspronkelijke pensioenleeftijd van 65 jaar te stoppen met werken.




Inhoud


1 De VUT in Nederland

1.1 De eerste plannen
1.2 Uitbreiding
1.3 Het einde
1.4 Overgangsregelingen
1.5 Zie ook:


2 In België
3 Bronnen en referenties





//


De VUT in Nederland
Tot 1 januari 2006 waren er fiscale faciliteiten voor VUT en prepensioen. De levensloopregeling is ervoor in de plaats gekomen.

De eerste plannen
Het eerste plan voor vervroegde uittreding werd in 1975 gelanceerd door Toon Riemen, bestuurslid van het Nederlands Katholiek Vakverbond. In die tijd was de jeugdwerkloosheid als gevolg van de economische recessie erg hoog. Het plan van Riemen, "Jong voor Oud" geheten, had als doel om deze jeugdwerkloosheid te bestrijden: voor elke oudere die eerder stopte met werken, zou een jonge werkloze aangenomen moeten worden.
Jaap Boersma, de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het Kabinet-Den Uyl, stelde een commissie in om het plan te onderzoeken. Deze commissie, die onder leiding stond van Van Tets, een bestuurder van het pensioenfonds van Unilever, oordeelde negatief over het plan: het was volgens de commissie een illusie dat het plan de jeugdwerkloosheid zou kunnen oplossen. Ondanks dit negatieve advies besloot minister Boersma een tijdelijk experiment te starten in twee sectoren. Werknemers in het onderwijs en in de bouw kregen vanaf respectievelijk 1 december 1976 en 1 april 1977 voor één cao-periode de mogelijkheid om op 63- of 64-jarige leeftijd te stoppen met werken.

Uitbreiding
Al spoedig werd het aantal sectoren met een VUT-regeling uitgebreid. In februari 1975 dreigde er een staking in de Rotterdamse haven als gevolg van een loonconflict tussen de werkgevers en de werknemers. Gezien de toch al zorgelijke economische situatie wilde minister Boersma een staking voorkomen. Hij slaagde hierin door de werknemers in de haven ook deelname aan het VUT-experiment aan te bieden. Hierna volgden al snel de metaalindustrie en andere sectoren.
De VUT-regeling bleek erg populair, zowel bij de werkgevers als bij de werknemers. Voor de laatste groep waren het vooral de gunstige financiële voorwaarden die de regeling erg geliefd maakten: wanneer men met de VUT ging, kreeg men een bruto uitkering die gelijk was aan 80% of 90% van het laatst verdiende loon. Omdat gepensioneerden geen sociale premies meer hoeven te betalen, kwam dit netto zelfs overeen met bijna 100%. Verder ging de opbouw van het ouderdomspensioen door tijdens de VUT. Men kon dus stoppen met werken zonder dat dit enige financiële consequenties had. Voor werkgevers was de VUT-regeling gunstig omdat zij hierdoor op een nette wijze af konden komen van het personeel dat overbodig was geworden door de economische recessie.
In 1980 werd het experiment omgezet in een structurele regeling door Willem Albeda, de minister van Sociale Zaken in het Kabinet-Van Agt I. In de daarop volgende jaren werd de VUT-regeling in steeds meer cao's opgenomen en werd de uittreedleeftijd steeds verder verlaagd, totdat deze uiteindelijk (gemiddeld genomen) rond de 60 jaar kwam te liggen.

Het einde
Al vanaf de invoering van de VUT werd door sommigen getwijfeld aan de betaalbaarheid van de regeling. Dit had te maken met de wijze waarop de VUT gefinancierd was: door middel van een zogenaamd omslagstelsel, hetgeen betekent dat in elk jaar de VUT-uitkeringen van de gepensioneerden betaald werden door de mensen die op dat moment werkten. Omdat de Nederlandse bevolking echter vergrijst, zou dit systeem er echter toegeleid hebben dat een steeds kleinere groep werkenden de steeds groter wordende kosten van de VUT en andere door middel van een omslagstelsel gefinancierde elementen van de verzorgingsstaat (zoals de AOW) moest betalen.
Om die reden werd halverwege de jaren negentig door de sociale partners afgeproken om de VUT-regelingen langzaam aan om te zetten in zogenaamde prepensioenregelingen. In tegenstelling tot de VUT, worden de prepensioenregelingen gefinancierd door middel van kapitaaldekking: elke werknemer spaart voor zijn eigen vervroegde uittreding. Als gevolg hiervan zijn de prepensioenregelingen beter bestand tegen de dreiging van de vergrijzing.
De VUT- en prepensioenregelingen verschillen op meer punten van elkaar dan alleen de wijze van financiering. Zo ligt de standaard uittreedleeftijd in de prepensioenregelingen meestal wat hoger dan in de VUT-regelingen, gemiddeld zo rond de 62 jaar. Verder is het standaardniveau van de uitkering in de meeste sectoren verlaagd tot 70% van het laatst verdiende loon.
Het belangrijkste verschil betreft echter de flexibiliteit van de regelingen. De VUT-regelingen waren weinig flexibel: men kon vanaf een bepaalde leeftijd met de VUT en men kreeg dan een bepaalde voorafbepaalde uitkering. Wanneer men eerder met de VUT ging kreeg men geen uitkering, wanneer men langer bleef werken, dan verloor men het recht op uitkering gedurende die jaren. De prepensioenregelingen zijn flexibeler opgezet. Men kan al voor de standaard uitreedleeftijd met pensioen, al is de uitkering dan lager omdat het beschikbare vermogen over meer jaren verdeeld moet worden. Op dezelfde wijze leidt langer doorwerken tot een hogere uitkering.

Overgangsregelingen
De meeste prepensioenregelingen werden zo opgezet dat men veertig jaar moest sparen om een volledige uitkering te krijgen. Werknemers die op het moment van de invoering van het prepensioen al wat ouder waren, hadden niet meer de mogelijkheid om veertig jaar te sparen. Om te voorkomen dat deze werknemers allemaal tot hun 65e door moesten werken, werden er overgangsregelingen geïntroduceerd. Deze overgangsregelingen boden oudere werknemers bepaalde garanties over de leeftijd waarop zij konden stoppen met werken of over de uitkering die ze kregen.
Deze overgangsregelingen hebben vaak lange looptijden (tot circa 20 jaar). Dit betekent dat de uitkering van mensen die anno 2004 met prepensioen gaan, voor een behoorlijk deel nog door middel van een omslagstelsel wordt gefinancierd. Het Kabinet-Balkenende II wil de arbeidsparticipatie van ouderen bevorderen door deze omslagfinanciering fiscaal te ontmoedigen: vanaf 1 januari 2006 zouden zowel de premies als de uitkeringen van omslaggefinancierde (delen van) regelingen belast moeten gaan worden. Dit voornemen ontmoette felle weerstand van de oppositie en de vakbonden en was één van de redenen voor de grote demonstratie op 2 oktober 2004 in Amsterdam. Ook de Raad van State en het Centraal Planbureau toonden zich in adviezen kritisch over het voorstel.

Zie ook:

FPU


In België
Iets gelijkaardigs bestaat in België als brugpensioen voor arbeiders of bedienden en als "ter beschikkingstelling" voor leerkrachten.

Deze domeinnaam kopen of huren? geef hier uw bod